27.7.00

Midden-Oosten en Egypte 2000 (camper en fiets)

Met de camper naar het Midden-Oosten

Aan het meer van Tiberias, Israël

In het eerste kwartaal van 2000 maakten we een mooie reis met onze Renault 1000D buscamper naar Turkije, Syrië, Jordanië, Egypte en Israël. In Egypte verplaatsten we ons grotendeels op de fiets en daarnaast per bus en trein. 
Het was een rustige periode in al deze landen. Er was geen intifada en nog lang geen oorlog in Syrië. Jammer dat een dergelijke reis tegenwoordig (2018) niet meer mogelijk is. 


Turkije

januari 2000

Delfi, Griekenland

Tot de Turkse grens is alles nog gewoon, want in Italië en Griekenland hadden we al eerder rondgereisd, alleen in een ander jaargetijde. Veel campings zijn nu gesloten en die wel open zijn daar staan we meestal alleen. Omdat het 's nachts vaak tegen het vriespunt is hebben we veel profijt van de elektriciteitsaansluitingen voor ons kacheltje. Dat proberen we ook in koud Turks toeristenhotel, maar daar slaan helaas de stoppen door.
Bodrum, Turkije

Het reizen door Turkije met eigen auto is vrij probleemloos. Vanwege de sneeuwval in het binnenland volgen we zoveel mogelijk de kust. Door het grotendeels ontbreken van snelwegen en vanwege het bergachtige landschap is dat alleen aan te bevelen als je veel tijd hebt en veel wilt zien. We doen er al 2 dagen over om Kusadasi te bereiken, maar dat komt ook doordat we in Izmir de camper moeten laten repareren. Een rem liep aan.
In de omgeving van Kusadasi maken we voor het eerst een fietstochtje. In Bodrum zijn we de enige gasten op de camping. De eigenaar laat ons er gratis staan. Het vakantieleven is er in een diepe winterslaap.

Fethiye

In Fethiye, aan de zuidkust van Turkije, hebben we onze eerste en voorlopig ook laatste stranddag. Hier zien we voor het eerst een aantal overwinteraars in campers en caravans. Onder andere Nederlanders die er al voor de 13e winter komen. Vóór het vertrek heeft het wat geregend en daardoor is de steile weg terug glad geworden. Een andere camper met voorwielaandrijving kan slechts met hulp van een hele club mensen op de motorkap voldoende grip op de weg krijgen om boven te komen.

Lifters terug in hun dorp tussen de Romeinse ruïnes

Een paar dagen later, als we vanuit Antalya 100 km landinwaarts rijden om een Romeinse stad te bezoeken, blijkt dat er veel sneeuw in Turkije kan vallen. Tussen de ruïnes wonen mensen in hun huisjes en dat alles bedekt met een pak sneeuw. We worden er gebracht door 3 bewoners van het dorp, die we een lift gaven vanaf een plek waar nog geen sneeuw lag. De weg wordt zo slecht en glibberig dat we zeker eerder terug zouden keren als we die mensen niet naar hun dorp hadden willen brengen. Ze lopen op plastic schoenen, zonder sokken.
 
Imposant kruisvaarderskasteel
In Anamur bezoeken we een andere Romeinse opgraving. We zijn de enige bezoekers en kunnen daarom de gidsen moeilijk ontlopen. De gidsen maken zichzelf onmisbaar door interessante mozaïeken e.d. te bedekken met zand of steentjes en dit speciaal voor de bezoeker te onthullen. 
Zo konden wij deze vogel te zien krijgen.

Turkije heeft onvoorstelbare overblijfselen uit de Romeinse tijd en later. Langs de kust zijn diverse kruisvaarderskastelen bewaard gebleven, waarvan deze één van de mooiste is. Ook hier is het moeilijk om aan de gidsen te ontsnappen.

De doktersstraat in Antakya

In Turkije bestaat in sommige steden de gewoonte om als beroepsgroep allemaal in dezelfde wijk of straat te gaan zitten. Zo troffen wij in deze straat in het verre Antakya tientallen dokters aan.

Antakya is de poort naar de Arabische landen. Er zijn veel handelaren, er zijn goede hotels en er is een wereldberoemd museum met een schat aan Romeinse mozaïeken die in de omgeving zijn gevonden. Onze laatste overnachting in Turkije is er een met sneeuw, die in de loop van de ochtend gelukkig weer wegdooit.






Syrië

januari 2000

Olieverkoper in Aleppo

De grensovergang tussen Antakya en Aleppo is rustig maar dat garandeert zeker geen snelle afhandeling. Met behulp van een tout (die 50 dollar vroeg, maar van ons 10 kreeg) kost het toch nog anderhalf uur om alle zegeltjes, handtekeningen en stempels te krijgen. Het lijkt er daarbij sterk op dat men het gaan langs alle loketten en kantoortjes zo ingewikkeld mogelijk heeft willen maken.
Het wagenpark in Syrië is gedateerd

Het reizen met een eigen auto is daarbij natuurlijk extra complicerend. 
Ruïne van de kerk van Simeon de Pilaarheilige

Paspoorten met -in Nederland geregelde- visa erin leveren geen probleem op, maar een auto zonder carnet de passage wel een beetje. Er moet een verzekering worden afgesloten en er moet een pittige dieselbelasting worden betaald. In totaal €210, waarbij de belasting maar 10 dagen geldig is en de verzekering 30 dagen). Tegenover de dieselbelasting staat een prijs aan de pomp van €0,16 per liter.

In Aleppo moeten we door chaotisch verkeer ons hotel zien te bereiken, hetgeen wonderwel lukt. Het blijkt wel het slechtste hotel tot nu, maar kost ook maar €9. Onze camper parkeren we op 200 meter afstand. Hier worden we de tweede nacht bestolen van de pompen, spiegels en verlichting van de fietsen (gedeeltelijk gewoon afgebroken). Het is regenachtig guur winterweer, zodat we Aleppo niet van zijn mooiste kant zien. Toch heeft de stad sfeer, zeker in de souk, maar ook in de oude Armeense en moslimwijken.

Marktkoopman in Aleppo (rechts)

In de souk van Aleppo ontmoetten we een joviale marktkoopman, die zelfs posters van het Nederlandse voetbalelftal en van Beatrix in zijn winkel heeft hangen. 
Verwacht niet veel luxe restaurants en café's te zien in dit land. In hotel Baron kunnen we even onze vermoeide benen laten rusten op de sofa onder het genot van een kopje thee. Hier overnachtte ooit Lawrence of Arabia, getuige zijn tentoongestelde onbetaalde rekening.

Syrië is een land dat met straffe hand wordt geregeerd. Dat blijkt als we worden benaderd door mensen die er dissidente opvattingen op na houden. Men wil westerlingen ervan overtuigen dat niet alles zo is als het regime wil doen geloven. Onder andere de slachting in Hama wordt genoemd, maar daarover hadden we ook al in de reisgids gelezen. We zijn ook nog onwetend van het naderende einde van president Assad sr.

Citadel van Aleppo

De noria's in Hama

Hama is onze volgende bestemming. De stad is wereldberoemd om zijn imposante irrigatieraderen (noria's), die tegenwoordig geen functie meer hebben, maar nog wel steeds een prachtig decor vormen. 

Hama is een aangename stad met een fantastisch budgethotel (Riad). 

In het Sulkanrestaurant vraagt men ons waar we vandaan komen. We krijgen een roodwitblauw vlaggetje op de ontbijttafel. 

Eten kun je goed in Syrië en voor 2 personen ben je doorgaans niet meer dan 25 gulden kwijt.


Ruïne op een vulkaan

Na Hama wilden we oostwaarts naar Palmyra. Als je de rustige route neemt, die niet op alle kaarten staat, kom je langs een mooie vulkaankegel met daarop de resten van een kasteel. Naar boven klimmen gaat makkelijk en er is een mooi uitzicht. Als je wat overmoedig bent glijd je echter zomaar naar beneden in de schacht van de vulkaan en die is onpeilbaar diep...

Beehive (bijenkorf) woningen

Een eindje verder zien we traditionele beehive-huizen, die de vorm van een bijenkorf hebben, maar waar vroeger mensen in woonden, maar die nu als graanopslag dienstdoen. In Syrië en Jordanië zien we ook nog veel bedoeïenen in tenten wonen, ook al staat er vaak een vrachtauto bij de tent als vervoermiddel in plaats van kamelen.

Tempel in Palmyra

De route naar Palmyra is prachtig. We komen verder naar het oosten geen verkeer meer tegen, het is mooi weer en we zijn voor het eerst in een woestijn. Hoe verder we rijden hoe minder vegetatie er te zien is. 
Tenslotte bereiken we de oude Romeinse stad Palmyra, aan de rand van een oase. Met recht is dit de grootste toeristentrekker van het land.

Bij een hotel is een geïmproviseerde camping en die weten wij te waarderen, ook al omdat de temperatuur lenteachtig was.
Dat laatste zou voorlopig voor het laatst zijn. 

Over de grote weg naar Homs wordt de lucht al maar donkerder en de temperatuur lager. We willen door naar het Krak de Chevaliers, het beroemdste kruisvaarderskasteel. We eten en overnachten bij de Round Table, vlak naast het kasteel. 

Winterweer in Syrië

We zullen het kasteel echter niet zien, want 's ochtends bij het ontbijt gaat het zachtjes sneeuwen. Als het steeds harder gaat sneeuwen en we bang worden later niet meer zonder kleerscheuren het steile weggetje naar beneden te kunnen rijden, besluiten we maar zo snel mogelijk te vertrekken en moeten we het doen met een ansichtkaart. 

Op de snelweg terug naar Homs ontsnappen we ternauwernood aan een aanrijding met een busje dat een keer om zijn as draait op de sneeuwlaag. Syrische wegbeheerders en automobilisten lijken niet erg gewend aan het winterse weer. 

Kasteelhotel in Bosra

We rijden maar verder naar het zuiden naar Bosra. 
In Bosra overnachten we in een kasteel. We krijgen er een uitgebreide maaltijd en worden min of meer opgesloten, want het lijkt dat alle personeel 's nachts is verdwenen.
Besneeuwd Romeins theater in Bosra

Ook op deze plek blijkt de volgende dag sneeuw te vallen, evenals in een groot gedeelte van Jordanië.

Na 8 dagen Syrië steken we de grens over naar Jordanië.













Jordanië

februari 2000

Jordanië, ook met sneeuw

Bij de grens van Syrië naar Jordanië zijn geen bemiddelaars. Het gaat dan ook redelijk probleemloos, al duurt het toch nog ruim een uur om geld te wisselen, zegels te kopen, visa te kopen, verzekering af te sluiten en belasting te betalen. Het is alles bij elkaar € 120, het meeste voor de auto. 

Badderen in warmwaterbron aan Dode Zee

In de de hoger gelegen delen van Jordanië ligt veel sneeuw en dat is voor veel Jordaanse families reden om een uitstapje te maken. Foto's van sneeuwballen gooien kun je niet elk jaar maken hier. 

Nee, dan de Dode Zee, die 400 m onder zeeniveau ligt en daardoor voorjaarswarm voelt. Zonder omwegen rijden we daar naar toe. Decent gekleed baden we ons in een warmwaterbron, die vlak langs de weg langs het meer ligt. Aanpassen aan de heersende gewoonten kan geen kwaad. Het is ook een goede overnachtingsplek en dat vinden er meer. 

Aan de Dode Zee

Twee Duitsers in hun camper staan hier ook voor een paar dagen. Ze willen min of meer rond de Middellandse Zee trekken, door Lybië en Tunesië. Helaas zitten hier wel veel vliegen, anders waren we nog langer gebleven.

Via de Kings Highway reden we naar het zuiden. Amman laten we links liggen. Nog steeds ligt er veel sneeuw langs de weg, maar het rijden gaat probleemloos. 

Ontmoeting met bedoeïenen

Petra is in Jordanië de magneet waar elke toerist naar toe getrokken wordt. Rond Petra wonen nog bedoeïenen in grotten, die door hun voorvaderen zijn uitgehakt. We worden uitgenodigd door bedoeïenen voor thee en "bedoeiënenbroodpap" (met je handen eten uit één schaal). De jongen werkt als gids en vraagt ons naar boven te klimmen op een rotsje waar zijn oom al voorbereidingen treft voor het eenvoudige avondeten. De man had ooit in een Duitse haven gewerkt, maar voelt zich alleen gelukkig in deze omgeving, waar hij geboren is. 

De jonge gids wil ons morgen wel een manier wijzen om Petra via een achteringang binnen te komen en zo de hoge toegangsprijs van ruim € 27 te omzeilen. Die verhalen hebben we ook gelezen, maar we gaan hier maar niet op in al was het alleen al omdat er ook binnen de hekken op kaartjes wordt gecontroleerd. 

Tempel in Petra

Leuk om ook even te bekijken is Little Petra. Hier komen nauwelijks toeristen; je ziet voornamelijk kuddes geiten. De archeologische resten zijn veel minder spectaculair, maar je kunt er in alle rust langs lopen en klimmen. En de omgeving is zeer fraai.

Petra bezoeken we één dag, maar veel mensen willen echt alles zien en dan heb je twee of drie dagen nodig. De tempels in de rotsen uitgehouwen, zijn werkelijk weergaloos en sommige zijn nog bijzonder gaaf.

Wadi Rum

De dagen daarna hebben we gezelschap van Nancy uit de VS en Jack uit Australië. Ze liften met ons mee via Wadi Rum naar Aqaba. 

Wadi Rum
Pas in de buurt van Wadi Rum raken we de sneeuw kwijt. Er is een camping, maar wij overnachten op de parkeerplaats in onze camper. 


De volgende dag maken we een lange wandeling door de woestijn. Het landschap is schitterend en eindeloos. Je onderschat hier voortdurend de afstanden.

Camping in Aqaba; de fietsreis wordt voorbereid

In Aqaba, helemaal in het zuiden van Jordanië, aan zee, kopen we meteen visa voor Egypte en zoeken we het strand op, waar we een aantal dagen genieten van de warme zon. 

We informeren naar de mogelijkheden om onze camper ergens achter te laten en zoeken onze bagage uit voor de fietstocht die we in Egypte willen gaan maken.









Egypte per fiets

februari 2000

Camping Basata

De grote vraag voor ons in Aqaba is, waar laat je je meegenomen auto als je in Egypte wilt gaan fietsen. Het blijkt mogelijk om de camper te parkeren bij de veerhaven, maar dat vinden we te duur (€ 180). Bij de grensovergang met Israël zijn geen parkeerfaciliteiten. Een extra probleem is dat het voertuig in Israel in het paspoort wordt bijgeschreven. Het land weer uitgaan (naar Egypte) zonder voertuig zou kunnen leiden tot een behoorlijke importheffing. De auto meenemen naar Egypte zien we helemaal niet zitten. Er wordt een forse belasting geheven van ongeveer € 450 (afhankelijk van de cilinderinhoud) en de bureaucratie zou hier erg zijn, hebben we gelezen. Bovendien betekent rijden in Egypte dat je veel hindernissen moet nemen, zoals de verplichte konvooien in grote delen van het land. Na de aanslag in Luxor willen de autoriteiten er alles aan doen om buitenlanders te beschermen.

Gravelweg tussen Nuweiba en Dahab

Eigenlijk willen we Egypte ook liever gaan bereizen met de fiets en het openbaar vervoer. We hebben niet voor niets fietsen meegenomen. We besluiten ons geluk een paar kilometer verderop in Eilat, Israël te gaan beproeven. Ook hier wordt je voertuig in het paspoort bijgeschreven, maar ons wordt verzekerd dat in het douanekantoor in de haven een tijdelijk importbewijs kan worden verkregen. Dat blijkt inderdaad het geval, maar dan moet wel een Israëli garant willen staan. Die vinden wij na enig zoeken en hij heeft een parkeerplek voor ons (tegen betaling van een bedrag aan dollars). Alle ingevulde papieren blijven achter bij het grenskantoor en we hopen dat ze die na een maand weer terug kunnen vinden. 

Lunchpauze uit de wind

Achteraf hebben we ons afgevraagd of we niet beter zo de grens over konden gaan zonder voertuigstempel, want geen enkele grensbeambte kijkt ooit naar dat stempeltje met ons kenteken. 
Sterker nog, het bleek een hele toer om bij terugkomst in Eilat, na een maand, duidelijk te maken hoe het nu precies zat met dat stempel en die papieren en onze auto. Maar goed, na enkele uren bureaucratie en intensieve grenscontroles waren we in Taba, op onze fietsen. Het is 7 februari, het is zonnig en de wind waait uit het noordwesten.
NB. Voor die paar km door Israël waren we wel een departure-tax verschuldigd: € 33.

De kustroute naar Dahab blijft mooi

Dat fietsen is wel wennen, want de weg loopt na enige tijd bepaald niet meer vlak en de belangstelling van mensen langs weg en op de weg ("taxi?") is niet van de lucht. Er zijn ook maar weinig mensen die zo reizen, dan val je dus op. Na een vermoeiende 48 km bereiken we een fraaie camping, Basata. Er is een vegetarisch restaurant en je kunt er heerlijk uitrusten van je vermoeidheid. Er is een internationaal publiek.

We hadden ergens gelezen dat er vanaf Nuweiba tot Dahab helemaal een gravelweg loopt vlak langs zee. Dat blijkt achteraf bijna te kloppen. 

Bijna bij de Blue Hole wordt het lastig

We besluiten de grote weg, die meer landinwaarts loopt, te negeren en langs zee te fietsen. Het is een prachtige route, maar wel zwaar vanwege het losse zand op grote stukken van de weg. Eigenlijk heb je hier echte ATB's nodig, onze banden zijn wat te smal voor dit werk. Na 12 kilometer worden we aangehouden door een onvriendelijke man bij een militaire post. Wij bevinden ons op privé-terrein en mogen niet verder. Uiteindelijk mag het toch en krijgen we escorte van 2 gewapende soldaten, maar we moeten wel met hen meewandelen. Na een uur komen we bij een militair kampement en vanaf daar mogen we weer op eigen gelegenheid verder. Zo af en toe komen we een terreinauto tegen en hier en daar zien we een groepje bedoeïenen. 

Die nacht slapen we op een eenzaam plekje in de tent onder een mooie sterrenhemel niet ver van de branding.

De volgende dag hebben we weer rugwind en na enige tijd komen we weer bij een militaire post. We blijken een papier met een stempel niet te hebben, maar na enig heen en weer gepraat (we verstaan elkaar niet echt) mogen we ook zonder stempel door. Dat wordt een patroon. Iets mag niet, maar mag later toch weer wel. Kennelijk moet eerst het gezag worden getoond en daarna kunnen de gunsten worden verleend. De militair geeft ons nog een slok thee uit een conservenblikje waar hij zelf ook uit dronk. 

Tent op het dak van het hostel in Dahab

Onderweg zien we regelmatig halfronde muurtjes, kennelijk om uit de wind te kunnen zitten, en daar maken we dankbaar gebruik van. Ook deze tweede dag over gravel is zeer vermoeiend, maar het ergste moest nog komen. De weg wordt eerst breder en vaster, maar bij een kleine nederzetting houdt hij helemaal op! Dat wil zeggen er loopt nog een rotspaadje verder, geschikt voor wandelaars en kamelen. We wagen het erop om door te gaan (er is nauwelijks een alternatief), voornamelijk lopend en met moeite grote rotsblokken ontwijkend. De tassen krijgen wat schuurplekken. Een enkele keer loopt het pad zo steil omhoog dat dit ook niet meer gaat. We moeten met z'n tweeën één fiets naar boven duwen, naar beneden lopen en daarna de andere fiets duwen. 

Na twee uur zwoegen bereiken we zo de Blue Hole, een bekend duikersoord. Na nog een uur fietsen komen we in het sprookjesachtige Dahab. Sinds Basata hebben we 100 kilometer "gefietst". De eersten die we zien zijn Nancy en Jack, die een paar dagen eerder de veerboot naar Nuweiba hebben genomen. We zetten voor €3 per nacht onze tent op het dak van een budgethotel (waar we -voor hetzelfde geld- liever geen kamer namen). In dit backpackersdorp is de sfeer relaxed, het klimaat heerlijk en de kosten van levensonderhoud laag. Er blijken ook diverse internetcafés te zijn, maar de verbindingen laten veel te wensen over. De gsm doet het wel.

Natuurreservaat Nabq
Op 11 februari fietsen we weer verder. Er is geen gravelweg meer langs zee, dus nemen we de niet al te drukke asfaltweg in zuidelijke richting. Dat begint met 30 km klimmen, zodat het ondanks de rugwind zwaar fietsen is. 

Na 58 kilometer na Dahab is er een afslag naar het natuurpark Nabq. Het is afwisselend wasbord en los zand zodat we ondanks de afdaling naar zee niet snel opschieten. Maar het is de moeite zeker waard, want dit is een bijzonder mooi gedeelte van de Sinaï. Als we na 78 kilometer weer de zee bereiken blijkt daar een mooi afdak te zijn gebouwd, waar we onze douche kunnen ophangen en waar we de tent beschut kunnen neerzetten. 
Mangrovekust met scheepswrak


Het uitzicht op de mangrovebossen en het scheepswrak maken dit tot een zeer speciale en sfeervolle plek. Er is geen mens te zien.

Douche

Dat verandert de volgende ochtend als drie auto's met Egyptenaren arriveren die grote hoeveelheden voedsel gaan bereiden. Later komen we zo'n 20 landcruisers met toeristen tegen en wordt ons duidelijk dat het ging om de lunch voor deze safarigangers. We worden ingehaald door een motorrijder die ons vraagt naar een toegangsbewijs. We waren gisteren inderdaad langs een toegangshek gekomen, maar daar hoefden we geen kaartje te kopen. Geen probleem, dan koopt u vandaag een entreekaartje bij de uitgang! Eenmaal uit het park is het snel gedaan met de mooie omgeving. Tientallen resorts in aanbouw moeten ons voorbereiden op de toeristenenclave Naäma Bay. We blijven hier voornamelijk even om te eten en om een -deze keer wel goed functionerend- internetcafé te bezoeken. Hier zijn voornamelijk dure hotels en we fietsen door naar Sharm-el-Sheik, want daar is volgens onze informatie een camping. Op deze camping ontmoeten we een Frans-Amerikaans stel dat er al een lange fietsreis op heeft zitten. Ze hebben onder andere in Cairo en langs de Nijl gefietst (waar dat eigenlijk niet mocht). 

Ras Muhammed

De volgende dag maken we een dagtocht naar Ras Mohammed, op de zuidelijkste punt van de Sinaï. 

De omgeving is desolaat, maar mooi en trekt vooral duikers, die overzee komen. 
De terugtocht wordt voor ons een ware kwelling vanwege de harde storm die inmiddels was opgestoken. Op de camping blijkt dat onze tent los is geraakt van de haringen en de lucht in wilde. Iemand is zo aardig geweest een paar zware stenen in de tent te leggen.



Uitzicht over de Nijl in Cairo

We nemen de volgende dag de bus naar Cairo. Bij het station vinden we een aardig hotel (Magy). 
Cheops

De fietsen kunnen op het balkon. Na drie dagen blijkt er een laag roetachtig stof op de fietsen te liggen. Geen gezonde stad dus, en we bleven niet langer dan nodig was om een paar bezienswaardigheden te zien

De piramides bezoeken we per taxi. We moeten de nodige moeite doen om een prijs te krijgen die in de reisgids staat vermeld. Dat lukt niet met de eerste taxichauffeur want die wordt boos. Een andere die het heeft aangehoord neemt ons zonder probleem mee en brengt ons ook weer terug.

Op weg naar Farafra

Zoals we Cairo genaderd zijn zo vertrekken we ook: met de bus. Dat blijkt nog een hele toer, want slechts weinig mensen zijn op de hoogte van waar de bus naar Bahariya vertrekt en ook de Lonely Planet geeft niet de goede informatie. Uiteindelijk blijkt het juiste busstation in de buurt van het hotel te zijn, zodat er niet veel halsbrekende toeren nodig zijn om er te komen met de fietsen. 

Na 300 km in de bus bereiken we Bahariya, waar Ahmed van Ahmed Safari Camp de klanten al opwacht om ze 4 km verder naar zijn camp te vervoeren. Onze bagage mag in de wagen, maar de fietsen niet, dus fietsen we ons de longen uit het lijf om hem te volgen, want we weten niet precies de weg. We blijven hier één nacht om van daar verder te fietsen.

We zijn nogal zenuwachtig omdat we lange trajecten krijgen met alleen maar woestijn en we zijn vooral bang voor tegenwind. Die komt gelukkig niet, hooguit zijwind. Alle bidons en waterzakken worden gevuld, zodat we samen meer dan 20 liter bij ons hebben. Als het tegenzit mogen we over de eerste 180 km naar Farafra drie dagen doen.

De lange weg door de woestijn

Het zit echter erg mee. De wind zit goed en is zwak. Het is een lekker temperatuurtje en de weg is goed en vlak. Omdat elke 10 km een bord langs de weg staat met de resterende afstand tot Farafra leren we eindelijk goed de Arabische cijfers. 

Zo af en toe passeert ons een auto, soms een terreinwagen met toeristen. Vanuit Bahariya worden excursies georganiseerd naar de Witte Woestijn, op zo'n 140 km afstand. Onderweg er naar toe is vanuit de auto weinig te zien, zodat de toeristen soms een eind voor ons stoppen om óns te fotograferen! 

Kamperen in de Witte Woestijn

Na een recordafstand van 141 km bereiken we de rand van de Witte Woestijn en zetten onze tent op temidden van de bizarre rotsformaties.

De zonsopkomst de volgende dag is ongeëvenaard.
Straatbeeld in Farafra

Het resterende stukje naar Farafra is nog maar 40 km, zodat we daar voor de middag al aankomen. We nemen onze intrek in het mooiste hotel van de westelijke oases. Er is tijd genoeg om rond te kijken in Farafra: de palmentuinen, het dorp, een museum en één van de warmwaterbronnen, Bir Sitta. 

De volgende ochtend blijkt dat we geen ontbijt krijgen om 7 uur, want de ontbijtjongen heeft zich verslapen. Maar een groep Nederlandse toeroperators, die hier op werkbezoek is, nodigt ons uit voor het ontbijt, buiten op een groot kleed. We wisselen ervaringen uit en we krijgen de nodige tips van de reisleider. 

Dan wordt het tijd om te gaan, want er wachten ons 300 km tot de volgende oase, Dakhla met de hoofdplaats Mut. Onderweg zou er volgens onze informatie slechts één kleine oase zijn, na circa 90 km. Dat klopt. We drinken hier thee en water, maar verder is er weinig dat ons daar aantrekt.
Op weg naar Dakhla


Na nog eens 40 km zetten we de tent op, simpelweg in het zand langs de weg, achter een klein heuveltje. Omdat het al snel donker wordt ziet niemand ons meer, maar er komt ook nauwelijks een auto langs. De temperaturen dalen hier deze tijd van het jaar tot 1 of 2 graden boven nul, zodat het opstaan 's ochtends in het schemer een frisse gebeurtenis is. Maar snel daarna word je alweer opgewarmd door de altijd maar schijnende zon. Ook de tweede dag na Farafra rijden we zo'n 125 km. We naderen tot dicht bij de Dahkla-oase en kamperen weer op een beschut plekje langs de weg.

Minaret in Al Qasr

De eerste plaats in deze oase is Al Qasr en het oude gedeelte is een wirwar van middeleeuwse straatjes. We worden rondgeleid door een gids. We zien hier wel wat meer toeristen. 

Op weg naar Mut rijden we steeds door de oase, met onwerkelijk groene weiden, met koeien. De landarbeiders en boeren dragen hier strohoedjes. Opeens komen we de Duitse camper tegen die we ook al aan de Dode Zee in Jordanië zagen. We wisselen onze ervaringen uit. Ze zijn op weg naar Lybië.

In Mut nemen we onze intrek in een wat sjofel hotel met mooi uitzicht op het landelijke leven in de oase. De geluiden en geuren geven een heel bijzondere sfeer. De volgende dag aarzelen we of we verder zullen fietsen of de bus nemen. De weg buigt naar het oosten en als de wind zo blijft zouden we hem schuin tegen kunnen krijgen. Bovendien hebben we al 500 km door de westelijke woestijn gefietst en dat was een heel speciale ervaring, maar of verder fietsen nog toegevoegde waarde heeft?

Straatvegers in Mut

We besluiten de bus te nemen. Wachtend op de bus zien we hoe een groep straatvegers "actief" is. We nemen uiteindelijk een minibusje, omdat de lijnbus nog steeds niet is gekomen. De fietsen en tassen gaan bovenop. 
We zullen in één keer naar Asyut aan de Nijl reizen. Het blijkt echter dat we wel twee keer van busje gaan wisselen. Alle bagage werd ook netjes overgeladen. De busjes, die in Nederland 9 personen vervoeren, zijn in Egypte geschikt gemaakt voor 15. Dus erg comfortabel is het niet. 

Luxor

Aangekomen in Asyut nemen we de trein naar Luxor. Op het perron worden we verplicht om bij twee andere toeristen te blijven zodat we met z'n vieren door één soldaat bewaakt kunnen worden. Als je een eindje wegloopt wordt hij erg zenuwachtig. In de tamelijk smerige trein (2e klas) doen we er 5 uur over om in Luxor te komen. Met de fietsen bereiken we tenslotte de camping daar. Het is dan bijna middernacht.

Vanuit de camping fietsen we naar alle bezienswaardigheden op de oostelijke en westelijke oever van de Nijl. 

 
Na 4 dagen in Luxor nemen we rechtstreekse bus naar Dahab. Je bent dan circa 15 uur onderweg in deze nachtbus. Vanaf Dahab volgen we per fiets de weg terug naar Eilat. Nu hebben we helaas voornamelijk tegenwind, zodat het nog een paar zware dagen worden. Met name het eerste stuk vanuit Dahab naar het noorden was erg, zandstormen en constante stijging sloopten ons. Lange tijd volgt een groep kamelen ons op enige afstand van de weg. De kleinste loopt helemaal achteraan.

Na een klim van 50 kilometer bereiken we laat in de middag de top. We vragen de eigenaar van een primitief wegcafé of we onder zijn afdak de tent mogen opzetten. Dat mag gelukkig, want op deze hoogvlakte is het inmiddels ijzig koud geworden en een beetje beschutting tegen de wind is welkom. In zijn huisje brandt een vuurtje en hij warmt voor ons water om soep van te maken. De volgende dag gaat het naar beneden tot we Nuweiba bereikt hebben. We fietsen na een lekkere lunch door tot Basata. Daar is het inmiddels heel wat drukker dan de vorige keer. Maar een laatste keer kamperen op het strand lukt nog wel. 

Op 3 maart 2002 steken we de grens met Israël over waar we weer merkwaardige staaltjes van ambtelijke logica meemaken. We moeten in Egypte eerst nog een exit-tax betalen. Dat wisten wij niet, ook nergens iets over gelezen. We hebben onze Egyptische ponden opgemaakt. Mag het met dollars? Nee, dat kan niet, maar dan mogen we ineens toch zonder te betalen de grens over. Je goede wil tonen is soms al voldoende. In Israël wordt onze fietsbagage gescand en alles wat men niet thuis kon brengen moet worden opengemaakt, zoals een aluminium bidon. Intussen kijkt men naar de fietsen zelf niet om, alsof daar geen geheime bergplaatsen in kunnen zitten. Na veel heen en weer gepraat en getelefoneer krijgen we uiteindelijk ook de juiste autopapieren terug en kunnen we de camper ophalen. Het fietsgedeelte is voorbij en het was heerlijk.

Israël

maart 2000

Aan het strand in Eilat
Na onze fietsinspanningen in Egypte besluiten we het maar een paar dagen rustig aan te doen. Tussen Eilat en Taba vinden we een plekje aan zee waar we 4 dagen blijven staan met onze camper. Intussen kunnen we een aantal dingen regelen zoals de veerboot naar Griekenland. We blijken niet de enigen te zijn. Het is een favoriete plek voor overwinteraars om een tijdje te verblijven. 
Israël is in alle opzichten bijna het tegendeel van de islamitische landen die we hiervoor bezochten. De mensen zijn afstandelijker. Ze zullen zelden contact met je zoeken. Het land is rijker en duurder. Het ziet er minder stoffig uit, maar het is ook saaier. Het land verkeert in betrekkelijke rust. De tweede intifada is nog niet uitgebroken. Een jaar later zouden we dezelfde reis niet meer gemaakt hebben.

De Mushroom in Timna Valley

De eerste stop van Eilat naar het noorden is het nationale park Timna Valley, in vroegere tijden een delfstoffengebied. Er zijn o.a. allerlei mijnschachten te zien waar vroeger koper werd gewonnen. De volgende dag bereiken we Beersheva, waar een grote bedoeïenenmarkt is. 

De Pilaren van Salomon

Later komen we bij Massada aan waar de beroemde burcht van Herodus is, waar 1000 van zijn landgenoten zich tot het einde verzetten tegen de Romeinen. De Dode Zee is aan deze kant alleen via privé resorts te bereiken. Vrijwel alles wat vanuit toeristisch oogpunt interessant is, is voorzien van een hek en een kassa.

Jeruzalem is een fascinerende stad. Wij moeten even wennen aan de rigide opdeling in Islamitische, Joodse, Christelijke en Armeense wijken en aan het feit dat de Tempelberg strikte openingstijden kent. 

De Olijfberg

Het valt niet mee in het begin om de weg te vinden in de wirwar van oude straatjes. Maar de oude stad is bijzonder levendig en zeer de moeite waard. Bij de klaagmuur worden we aangesproken door een Amerikaan die ons herkend heeft van de camping in Sharm-el-Sheik, 4 weken geleden. Het wereldje van rugzaktoeristen is maar klein. 

Via de Palestijnse gebieden rijden we naar het noorden, naar het het meer van Tiberias, waar we de laatste week doorbrengen. We maken kennis met bewoners van de kibboets Ha'On. Aan het meer vinden we een rustig plekje waar de zon vaak fraai ondergaat.

De veerboot Haifa - Piraeus

De laatste etappe is naar Haifa, waar we op 17 maart de boot naar Griekenland nemen. Deze veerboot doet Cyprus en Kos aan voordat we aankomen in Piraeus. Na een ritje over de Pelopennossos komen we in Patras. Vandaar vertrekken we met de volgende veerboot naar Bari.